Het begrip
effectiviteit komt overeen met functie of functionaliteit
uit de systeemleer. In welke mate voldoet het systeem aan
zijn functie in de omgeving.
Het begrip kwaliteit (in enge
zin) wordt gebruikt voor begrippen die aangeven ‘hoe goed’
of ‘tot in hoeverre’ de functie moet werken. Er worden
vier dimensies onderscheiden: betrouwbaarheid (hoe lang
blijft de functie werken), bruikbaarheid (is de functie
makkelijk aan te leren of te gebruiken), onderhoudbaarheid
(is de functie makkelijk te herstellen bij een storing) en
flexibiliteit (is het systeem ook voor andere
functies inzetbaar). Logistieke aspecten vormen
de derde groep kwaliteitseigenschappen: is het systeem in de
juiste hoeveelheid, op de juiste plaats, op de juiste tijd
en met de juiste beschikbaarheid aanwezig? Deze
eigenschappen worden vaak ten onrechte vereenvoudigd door
het begrip ‘tijd’. De laatste kwaliteitseigenschap is
efficiëntie. Het gaat hier om de vraag wat het systeem kost
(welk offer moet je doen om het te krijgen). Deze eigenschap
wordt vaak uitgedrukt in geld. De bekende
duivelsdriehoek is een vereenvoudigde vorm van deze basale
kwaliteitseigenschappen. |