|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
 |
 |
Basisbegrippen Systeemleer |
 |
|
|
 |
|
|
|
Elk model is te vergelijken met een bril waarmee je naar
bepaalde aspecten van de werkelijkheid kijkt. Verreweg de
meeste kennisoverdracht vindt plaats met behulp van
modellen. Ook in The Art of Management werken we met
vele verschillende modellen.
Wat is eigenlijk een model,
welke soorten zijn er, wat is het nut en wat zijn de
risico’s? Om deze vragen te beantwoorden maken we gebruik
van de systeemleer. Het is de meest universele bron die aan
vrijwel alle disciplines ten grondslag ligt. Elk model, elk
ontwerp en elke architectuur is gebaseerd op ongeveer tien
fundamentele basisbegrippen uit de systeemleer. Het gaat om
begrippen als functie, constructie,
decompositie en beschouwingsniveau.
|
|
 |
|
|
 |
|
|
|
|
 |
|
 |
 |
Modellen:
nut en risico |
 |
|
|
 |
|
| |
Een model is een vereenvoudigde weergave van de
werkelijkheid. In feite is een model gestileerde kennis over
de werkelijkheid.
Wat is het nut van
modellen? Een goed model geeft precies weer waar je grip op
wilt krijgen. Daarbij kan het begrip ‘grip krijgen’ ruim
geïnterpreteerd worden. Een model reduceert de complexiteit
en is daarom in de eerste plaats nuttig om dingen te
begrijpen zoals ze zijn. Op basis van een beter begrip kan
men beter onderbouwde maatregelen nemen. In de tweede plaats
worden modellen gebruikt om dingen te ontwerpen. Het model
geeft dan de gewenste situatie aan, bijvoorbeeld in de vorm
van een procesontwerp. In de laatste plaats zien we dat
(ontwerp)modellen gebruikt worden om toekomstige situaties
te simuleren, na te spelen of door te rekenen. Deze modellen
hebben vaak een formeel en wiskundig karakter.
Wat is het risico van modellen? Een model vereenvoudigt de
werkelijkheid. Het liefst zoveel mogelijk, zodat we geen
overbodige ballast in beschouwing behoeven te nemen. Op dit
grensvlak zit nu precies ook het risico van modellen.
Einstein drukte het risico als volgt uit: ‘Theories and
models should be kept as simple as possible, but not
simpler than that’. Een model kan ook té eenvoudig gemaakt
worden, waardoor het de werkelijkheid geweld aan doet. Deze
afweging is in onderstaande figuur weergeven. |
|
|
 |
| |
|
|
|
Over modellen, architectuur en ontwerp Een model is zoals
gezegd een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Een
ontwerper of architect gebruikt modellen om een nog niet
bestaande werkelijkheid weer te geven. Een architectuur of
een ontwerp bestaat dus uit modellen.
De
termen architectuur en ontwerp worden in praktijk door
elkaar gebruikt. De term architectuur komt oorspronkelijk
uit de bouw en zien we nu regelmatig terugkomen met het
voorvoegsel binnenhuis–, tuin–, informatie–, ict– etc. De
term ontwerp (design) is meer gebruikelijk in de mode,
reclame en industriële vormgeving. In alle gevallen gaat het
om ontwerpactiviteiten waarbij modellen gebruikt worden.
Wij gebruiken de term architectuur voor set van modellen met
een abstract en omvattend karakter. Veer meer gedetailleerde
modellen (met minder vrijheidsgraden) gebruiken we de term
ontwerp. Deze keuze is arbitrair, maar sluit aan bij de
meest gangbare definitie in het management en ICT–domein. |
|
|
|
 |
|
 |
 |
Systeemleer |
 |
|
|
 |
|
|
Hoe zit een model eruit? Welke kenmerken heeft een model en
welke soorten modellen kan men onderscheiden? Een antwoord
op deze vragen vinden we in de systeemleer. De systeemleer
beschouwt een model als een systeem in een omgeving. De
toepassing heeft de laatste decennia een grote vlucht
gekregen in vrijwel alle wetenschappelijke disciplines. De
belangrijkste concepten werden echter reeds in de oudheid
gebruikt.
Romeinse oudheid Voor de
basisdimensies van een model kunnen we teruggrijpen op de
fundamenten van architectuur in de oudheid. In 20 voor
Christus schreef Marcus Vitruvius Pollio een van de meest
toonaangevende leerboeken van die tijd over dit onderwerp.
In het boek De Architectura (ISBN 90 253 5870 5) onderscheid
hij drie dimensies:
1. Utilitas
Functie 2.
Firmitas Vorm 3. Venustas
Stijl
De functie gaat
over het nut dat iets heeft in zijn omgeving. De vorm
beschrijft de constructie (in dit geval van het bouwwerk).
Stijl gaat over esthetiek en elegantie, een meer subjectief
element waar beleving van schoonheid en cultuur een rol
spelen.
Systeemleer Deze basisdimensies
sluiten aan op de basisprincipes van de systeemleer of
cybernetica die in de 20ste eeuw de basis is gaan vormen
voor alle begrippen rondom ontwerp en modellering (zie
bijvoorbeeld: Systeemdenken, N.J.T.A. Kramer & J. De Smit
(1991), ISBN 90–207–2008–2 of Systeemleer en
organisatiekunde, A.C.J. de Leeuw, ISBN 90–207–0492–3).
Download
proefschrift de Leeuw. |
|
|
 |
|
Systeem en
omgeving In de systeemleer wordt onderscheid gemaakt tussen
het systeem en omgeving van het systeem. Beide aspecten zijn
even belangrijk. De omgeving is immers weer een hoger
liggend systeem die het beschouwde systeem omvat. In feite
hebben we het hier over decompositie: een systeem valt
uiteen in subsystemen, en die weer in sub–subsystemen
enzovoorts.
Decompositie en
beschouwingsniveaus Decompositie is het onderscheid maken
in systemen en subsystemen. Er zijn twee verschillende
manieren van decompositie: decompositie naar subsysteem
(flow down) en decompositie naar extern systeem
(outsourcing). Merk op dat decompositie en
beschouwingsniveau alles met elkaar te maken hebben. Het
beschouwingsniveau bepaalt immers wat ‘omgeving’ en wat
‘systeem’ en ‘subsysteem’ is. |
|
|
|
|
|
 |
|
|
 |
|
|
|
|
Functie |
|
|
|
 |
|
|
Wat doet het
systeem in of voor zijn omgeving? Dit wordt het
functievraagstuk genoemd. Het begrip functie komt in
praktijk vele verschijningsvormen terug. Begrippen als
effectiviteit of doeltreffendheid gaan over de
functie van een systeem. Het systeem heeft immers een doel
in een omgeving: in hoeverre wordt dat doel bereikt? In deze
lijn is ook toegevoegde waarde te zien als ander woord voor
functie: wat voegt het systeem toe aan zijn omgeving? Ook
begrippen als output, outcome, product en resultaat zijn
allemaal terug te herleiden op de functie van een systeem in
zijn omgeving. Functiemodellen worden ook wel zingevings– of
black–box modellen genoemd. In UML –een wijdverbreide
(ICT)ontwerpmodellen standaardtaal– wordt het functiemodel
aangeduid met use–case. |
|
|
|
 |
|
|
|
|
Constructie |
|
|
|
 |
|
|
Hoe werkt het
systeem en uit welke componenten bestaat het? Dit wordt het
constructie vraagstuk genoemd. Binnen de systeemleer zijn er
twee beschouwingswijzen van de constructie, de dynamische en
de statische beschouwing.
- De dynamische, of gedragsbeschouwing beschrijft
de werking (de processen) van een systeem (zoals in
een film). De dynamiek op haar beurt, kan weer in een
aantal dimensies beschreven worden, te weten de volgorde
van activiteiten, de levenscyclus, tijd–gedrag en
ruimte–gedrag. (UML kent hiervoor respectievelijk de
volgende dynamische modellen (activiteiten–diagram "IDEF",
Life cycle/state–diagram, tijd/sequentie–diagram en
ruimte/collaboratie–diagram).
- De statische of componentbeschouwing,
beschrijft waarmee een systeem werkt, uit welke
componenten het bestaat (zoals een foto). De statische
constructie beschrijft een systeem in termen van delen en
de samenhang der delen. (UML kent hiervoor de statische
modellen zoals classes en objecten). De componenten zijn
niets anders dan subsystemen waarvan we alleen de functie
–binnen het systeem– in beschouwing nemen. De constructie
van de subsystemen (of componenten) zien we als een
black–box. Constructiemodellen worden ook wel vormgevings–
of white–box modellen genoemd.
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
Inhoud |
|
|
|
 |
|
|
Functie, vorm en
inhoud. Drie woorden die ook in deze volgorde in het
dagelijks spraakgebruik veel voorkomen. Functie en vorm
worden (impliciet) gebruikt voor de meer abstracte
modelmatige kant van de zaak. Inhoud slaat op het werkelijk
doen, de feitelijkheid. In modelmatige termen wordt er met
inhoud het in werkelijkheid geïmplementeerde model bedoeld.
Dat kan op vele manieren (casussen of occurrences) gebeuren.
Een dergelijke implementatie wordt wel ‘a box’ genoemd (in
de betekenis van één van de vele mogelijke geïmplementeerde
gevallen). |
|
|
|
 |
|
|
|
|
Stijl
(esthetiek) |
|
|
|
 |
|
|
De stijl van een
systeem speelt niet in alle ontwerpdomeinen een even
pregnante rol. Het is zelfs de vraag of uiterlijk,
schoonheid of imago niet gezien kunnen worden als een soort
functie van het systeem. Met bijvoorbeeld het doel zich te
onderscheiden in de omgeving. In relatie tot het
(management) kader van deze fundamentals laten we dit begrip
vooralsnog onbehandeld. |
|
|
|
|
|
 |
|
|
 |
|
|
|
|
Universele
uitgangspunten |
|
|
|
 |
|
|
Modellen worden
gebruikt voor het ontwerpen van systemen. In essentie is
ontwerpen niets meer dan het genereren van alternatieven en
het vervolgens kiezen van het beste alternatief. Bij dit
ontwerpproces gelden een aantal universele
ontwerpuitgangspunten.
1. Harmonie
(balans) in functie en vorm Bij een eenmalig ontwerp is
het van belang harmonie te creëren tussen functie, vorm en
esthetiek (schoonheid). Mooie schoenen zitten vaak niet
lekker (constructie) en zijn zeker niet handig in gebruik
(functie). Dit zelfde principe komt terug bij systemen die
zich in een permanent veranderende omgeving bevinden (zoals
bedrijven). Daar wordt dit proces strategie genoemd. De
essentie van een strategie is het vinden van balans tussen
de externe functie (de toegevoegde waarde van het bedrijf)
en interne constructie (in termen van mensen, middelen,
structuur en cultuur) in een permanent veranderende
omgeving.
2. Eenvoud (essentie) Een goed
ontwerp kent zo min mogelijk ballast. In systeemtermen bevat
een goed model dus zo min mogelijk componenten (maar niet
minder dan dat).
3. Samenhang: maximale
intern, minimale extern Bij het ontwerp van
zogenaamde loosely coupled systems (systemen die een zwakke
binding vertonen) dient gestreefd te worden naar maximale
interne binding van de elementen en minimale externe
binding. Dit principe geeft richting aan de decompositie van
te beschouwen systemen en subsystemen. |
|
|
|
 |
|
|
|
|
Reductie van
complexiteit |
|
|
|
 |
|
|
Een
kernactiviteit binnen het ontwerpen of modelleren is het
reduceren of variëren van complexiteit. Door wel-overwogen
gebruik te maken van modellen kan men de complexe
werkelijkheid vanuit verschillende perspectieven met
verschillende aspecten en diepgang (granulariteit)
belichten. In onderstaande figuur zijn de vier hoofdmodellen
weergegeven en een aantal mogelijkheden om binnen een
bepaald model de complexiteit te variëren. |
|
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
Beschouwingsniveaus |
|
|
|
 |
|
|
Het
beschouwingsniveau van The Art of Management is de
bedrijfsvoering (B). Een voorbeeld van een onderliggend
beschouwingsniveau is de informatievoorziening (I). |
|
|
|
|
|
 |
|
In onderstaande
figuur is een voorbeeld opgenomen van modellen die
bijgenoemde beschouwingsniveaus gebruikt kunnen worden. |
|
|
|
|
|
 |
|
Dit overzicht
kan verder naar beneden uitgebreid worden door bijvoorbeeld
technologie (T) als integraal beschouwingsniveau op te
nemen. In bovenstaand overzicht hebben we ons beperkt tot de
functie die technologische componenten (applicaties en
infrastructuur) kunnen hebben voor de informatievoorziening.
De constructie vraagstukken zijn onderwerp van de applicatie
en infrastructuur architectuur |
|
|
|
 |
|
|
|
|